Renaissance en het Wilhelmus
Historische context, mensbeeld en het oudste volkslied ter wereld
Van Middeleeuwen naar Renaissance
Voordat je bij de Renaissance uitkomt, is het goed om te weten waar de Nederlandse literatuur vandaan komt. In de Middeleeuwen (500-1500) is Nederlands vooral spreektaal. Verhalen gaan van mond tot mond: dit heet de orale traditie. Dat er op rijm werd verteld, hielp vertellers om de tekst te onthouden.
De oudst bekende bewaarde Nederlandse zin is: "Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?" Vrij vertaald: "Alle vogels zijn al aan hun nest begonnen, behalve ik en jij, waar wachten we nog op?"
In de late Middeleeuwen ontstaan rederijkerskamers: verenigingen van literatuurliefhebbers die maandelijks bijeenkwamen en met elkaar wedijverden in dichtkunst. Rederijkers speelden ook een rol bij stedelijke feesten en propaganda voor hun stad.
Een nieuw tijdperk
Rond 1500 begint in Italie een nieuwe periode: de Renaissance, letterlijk "wedergeboorte". De term verwijst naar de herleving van de Griekse en Romeinse oudheid. Klassieke dichters als Homerus, Vergilius, Ovidius en Horatius worden na meer dan vijftien eeuwen opnieuw een inspiratiebron.
Het middeleeuwse mensbeeld, waarin de mens vooral gericht is op God en het leven na de dood, verschuift naar een mensbeeld waarin de mens en het leven op aarde centraal staan. Dit noem je het antropocentrische wereldbeeld. De Renaissance-mens wil de wereld zelf ontdekken en leeft in het hier en nu, zonder zich alleen te laten voorschrijven door de kerk.
Een belangrijk ideaal uit deze tijd is de homo universalis: de gedachte dat een mens een uniek individu is, net als in de klassieke oudheid, en zich op alle gebieden zou moeten kunnen ontwikkelen.
De Hervorming
Naast de herleving van de klassieke oudheid speelt de Hervorming een grote rol. Deze ontstaat uit onvrede over misstanden in de rooms-katholieke kerk. Burgers willen ruimte voor eigen geloofsinzichten en kerkdiensten in de volkstaal in plaats van het Latijn.
Maarten Luther verzet zich in 1517 met zijn stellingen tegen misstanden zoals de aflaathandel. Johannes Calvijn verdedigt daarna de gedachte van predestinatie: het idee dat het eeuwig heil afhangt van goddelijke uitverkiezing, niet van eigen daden. Het Calvinisme, met waarden als hard werken, ijver en spaarzaamheid, krijgt vanaf 1560 veel invloed in de Nederlanden.
De Nederlanden tussen 1517 en 1700
Een aantal jaartallen helpt je de periode te plaatsen:
- 1517: Luthers stellingen, het begin van de Hervorming
- 1566: de Beeldenstorm
- 1568-1648: de Tachtigjarige Oorlog
- 1588: de Republiek der Verenigde Nederlanden
- 1637: de Statenbijbel
- rond 1700: het ontstaan van een standaardtaal (ABN)
Filips II van Spanje probeert de zelfstandigheid van de Nederlandse gewesten in te perken en dwingt het katholieke geloof op. Dit leidt tot verzet, de Beeldenstorm en uiteindelijk tot de onafhankelijke Republiek. Binnen die Republiek bestaat een spanningsveld tussen de raadspensionarissen, die de gewestelijke zelfstandigheid verdedigen, en de stadhouders, die een sterker centraal gezag willen.
Schrijvers veranderen in deze tijd van rol. Vanaf 1550 tonen velen zich actief betrokken bij de politiek en versterken ze met propagandaliteratuur de positie van Willem van Oranje. Politiek en literatuur zijn in de zestiende en zeventiende eeuw vaak nauw met elkaar verweven.
De vijf grote schrijvers
Vijf schrijvers vertegenwoordigen de Nederlandse Renaissance-literatuur: Gerbrand Adriaensz. Bredero, Pieter Cornelisz. Hooft, Constantijn Huygens, Joost van den Vondel en Jacob Cats.
Het sonnet
Een populaire dichtvorm uit deze periode is het sonnet: een lyrisch gedicht met een vast rijmschema (ABBA ABBA CDD CDC) en een vaste opbouw van veertien regels. Het gedicht bestaat uit twee kwatrijnen (samen het octaaf) en twee terzetten (samen het sextet). Tussen het octaaf en het sextet zit vaak een volta: een wending in het gedicht, waarbij de gedachte of stemming omslaat.
Bekijk als voorbeeld dit sonnet van Constantijn Huygens, geschreven na de dood van zijn vrouw Sterre:
Cupio Dissolvi. Op de dood van Sterre
Of droom ik, en is 't nacht, of is mijn Ster verdwenen? (a) Ik waak, en 't is hoog dag, en zie mijn Sterre niet. (b) O hemelen, die mij haar aangezicht verbiedt, (b) Spreek mensen-taal en zeg, waar is mijn Sterre henen? (a)
De hemel slaat geluid, ik hoor hem door mijn stenen, (a) En zegt, mijn Sterre staat in 't heilige gebied, (b) Waar zij de Godheid, waar de Godheid haar beziet, (b) En, voegt het lachen daar, belacht mijn ijdel wenen. (a)
Nu, dood, nu snik, meteen verschenen en voorbij, (c) Nu, doorgang van een steen, van een gesteen, ten leven, (d) Dun schutsel, sta nabij, 'k zal 't u te dank vergeven; (d)
Kom dood, en maak mij korts van deze koortsen vrij. (c) 'k Verlang in 't eeuwig licht te zamen te zien zweven (d) Mijn heil, mijn lief, mijn lijf, mijn god, mijn Ster en mij. (c)
In de eerste twee kwatrijnen (het octaaf) klaagt de dichter dat hij zijn overleden vrouw niet meer kan bereiken. Bij de terzetten (het sextet) verschuift de toon: de klacht wordt een verlangen naar de dood, zodat hij bij haar kan zijn. Die omslag van klacht naar verlangen is de volta van dit gedicht.
Het Wilhelmus
Het Wilhelmus ontstaat rond 1570, tijdens de eerste jaren van de opstand tegen Spanje. Het lied is geschreven op de melodie van een Frans lied en bestaat uit vijftien coupletten. De eerste letters van elk couplet vormen samen de naam WILLEM VAN NASSOV: dit heet een acrostichon.
Het lied is geschreven vanuit het perspectief van Willem van Oranje zelf, die zich verantwoordt tegenover het volk en tegelijk trouw blijft zweren aan de koning van Spanje. Deze schijnbare tegenstelling verklaar je vanuit de tijd waarin het lied ontstond: openlijk verzet tegen de vorst was gevaarlijk, dus koos de dichter voor een voorzichtige, gelaagde toon.
Wil je oefenen of heb je een vraag? Gebruik de AI-tutor op deze pagina.